Grip op mensenhandel

Posted: 4th July 2011 by crimewatcher in Misdaad en wetenschap
Tags: , ,

Mensenhandel op de wallen. In 2009 werden Saban B. en zijn broer veroordeeld voor het leiding geven aan een organisatie die in vrouwen handelde. De naar schatting 120 vrouwen die zijn uitgebuit door deze organisatie bevonden zich voornamelijk in Amsterdam, maar ook in Alkmaar en Utrecht. Uit de strafzaak blijkt dat de organisatie zeer gewelddadig te werk ging; de vrouwen werden met honkbalknuppels geslagen, ondergingen gedwongen abortus en moesten borstvergrotingen ondergaan om hun ‘marktwaarde’  te verhogen.

Is de organisatie van de gebroeders B. (onderzocht in de strafrechtzaken Sneep 1 en Sneep 2) tekenend voor de prostitutie op de wallen en wordt deze inderdaad overheersd door criminele organisaties? Om hier inzicht in te krijgen heeft het WODC een onderzoek uit laten voeren naar mensenhandel op de Amsterdamse wallen. De onderzoekers hebben een analyse gedaan aan de hand van 12 opsporingsonderzoeken rondom de Amsterdamse raamprostitutie. Hoewel bij alle onderzochte gevallen sprake is van een uitbuitingssituatie, onderscheiden de onderzoekers drie verschillende soorten relaties tussen het slachtoffer en de dader. Allereerst is er natuurlijk de loverboy-methode, waarbij het slachtoffer zich laat uitbuiten, omdat ze verliefd is. Ook kan er sprake zijn van afpersingssituaties, waarbij de prostituee met geweld gedwongen wordt om ‘protectie’-geld af te staan. Tot slot herkennen ze de zakelijke relatie waarbij sprake is van een overeenkomst tussen prostituee en pooier. In alle typen relaties is sprake van uitbuiting, waarbij naast fysiek geweld ook manipulatie, psychische druk en bedreigingen plaatsvinden.

Tot zover de relaties, maar over wat voor soort personen gaat het (daders en slachtoffers)? De daders variëren in leeftijd en zijn afkomstig uit Turkije, Hongarije, Duitsland en Nederland. De slachtoffers zijn beduidend jonger (rond de 20) en zijn veelal geboren in Nederland, maar komen ook uit Roemenie, Duitsland, Polen, Thailand en nog een handvol andere landen. Tot zover de bevindingen van het onderzoek over het fenomeen ‘mensenhandel’. De rest van het rapport gaat voornamelijk over de werkwijze van de opsporingsteams en behandelen onderwerpen als tappen en informatie-uitwisseling.  Dit is ook wel logisch, omdat het onderzoek gebaseerd is op opsporingsonderzoeken van de politie en dan nog op slechts 12 zaken, maar jammer is het wel omdat het een beperkt beeld geeft van de problematiek.

Hoewel het uitvoeren van case study onderzoek in principe een gedegen onderzoeksmethode is om uit te zoeken hoe en waarom een fenomeen plaatsvindt, door diepgaand een fenomeen in relatie tot de omgeving te onderzoeken, lijken de 12 opsporingsonderzoeken  in dit geval een te beperkte basis. Mogelijk komt dit doordat alleen gebruik is gemaakt van politie-informatie en er ook alleen politiemensen zijn geïnterviewd. De onderzoekers geven dit zelf ook aan als belangrijkste beperking, maar stellen daar tegenover dat het onderzoek ook gericht was op de wijze waarop de opsporing naar dit delict plaatsvindt en niet alleen naar de aard van mensenhandel op de wallen. De onderzoekers maken ook duidelijk dat het niet eenvoudig om mensenhandel wetenschappelijk te analyseren, omdat vaak sprake is van een complex proces, waarvan de slachtoffers geen aangifte doen of niet eens door hebben dat ze slachtoffer zijn.

Ondanks deze beperkingen draagt dit onderzoek bij aan de wetenschappelijke kennis over mensenhandel in Nederland en dat kan alleen maar toegejuicht worden zolang er nog Saban B’s zijn die op deze manier te werk gaan.

Verhoeven, M.A. e.a.(2011), Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie, WODC, Den Haag.